SLEEPTEEN en ChatGPT



verkoolde en verroeste brokken

van neergeschoten bommenwerpers

zijn de onheilstekens

waaronder ik jong nog speelde


tussen afgeknotte bomen

en verschroeid struikgewas

boven mij zonsverduisteringen

zat ik in de cockpit


mijn handen die onwetend

contact zochten met de dood

in het verstoorde spinneweb

van het nieuwgeurend stuur


in dikke stukken kogelvrij glas

ving ik het schaarse licht op

dat uitliep op de grond

een lauwe, bleke plas


later ging ik verward naar huis

ik vond ook die dag het spoor nog
niet

de sleepteen van de tijd

in het rulle zand

Uit: Vogels
vliegen toch
(1951) in Alle bundels gedichten. Amsterdam, De Bezige
Bij, 1976. p.10

In de op één na laatste regel staat het woord SLEEPTEEN.
Natuurlijk konden we ons daar wel iets bij voorstellen, maar we hadden ook het gevoel in het duister te tasten. Eerder een raden naar de betekenis dan een acceptabele verklaring. Zou sleepsteen bedoeld zijn? Dan kan de verbeelding aan de gang. Een steen van de tijd die iets (een route) inslijpt. Volgens de uitgever was toch echt sleepteen bedoeld, hoewel dit woord niet in een woordenboek is te vinden. Zoekmachines leverden ook niet veel op. Dan maar een vraag aan ChatGPT:

Als eerste:

Wat is een sleepteen?

Het antwoord van ChatGPT:

Een sleepteen is een sleepkabel die gebruikt wordt om een voertuig dat niet meer kan rijden, te slepen met een ander voertuig dat wel rijdt. Het is een handige tool om gestrande voertuigen te verplaatsen, bijvoorbeeld wanneer de accu leeg is of er problemen zijn met de motor. Een sleepteen is meestal een stevige kabel met haken aan beide uiteinden die aan de sleepogen van de voertuigen worden bevestigd. Het is belangrijk om voorzichtig te zijn bij het gebruik van een sleepteen en de juiste veiligheidsmaatregelen te nemen om schade of letsel te voorkomen.”

Zodra je er vanuit gaat dat SLEEPTEEN een bestaand woord is, kan het zoeken beginnen. Een voor de hand liggende combinatie is dan inderdaad SLEEPKABEL. Dit kan, maar blijft een vrij willekeurige associatie. Misschien was de vraag te algemeen.

Daarom een tweede poging:

Wat bedoelt Campert met een sleepteen?

Het antwoord van ChatGPT:

Jan Wolkers schreef in zijn boek “Turks Fruit” (1969) over een personage genaamd Olga die in een auto rijdt en haar vriend, genaamd Erik, die haar sleept met een “sleepteen”. Dit was echter geen gewone sleepkabel, maar een metaforische term die in de context van het boek werd gebruikt om de relatie tussen Olga en Erik te beschrijven. Het idee achter de metafoor is dat Erik Olga voorttrekt, als een soort van ondergeschikte, terwijl Olga de controle heeft over de richting en snelheid van hun reis. Dit symboliseert de machtsverhouding tussen de twee personages en de manier waarop Olga de relatie domineert. De term “sleepteen” heeft later ook door de Nederlandse schrijver en dichter Jan Campert gebruikt in zijn gedicht “Het Lied der Achttien Dooden” (1941), waar het refereert aan de tien geëxecuteerde verzetsstrijders die door acht andere gevangenen werden voortgesleept naar hun executieplaats. Dit gedicht heeft later een iconische status gekregen als een symbool van het Nederlandse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Mijn advies: lees dit antwoord meerdere keren en vraag je af hoe dat tot stand gekomen kan zijn. Niet onmogelijk dat ChatGPT verwijst naar het ongeluk dat Olga en Erik krijgen. Aan het eind van het hoofdstuk Een bontjas in het blue, krijgen Erik en Olga een lift van een “tengere Engelsman”. Deze brengt hen naar het ziekenhuis. Maar waarom deze koppeling tussen sleepteen en Jan Wolkers’ roman? Niet onmogelijk dat dit gebaseerd is op een opmerking in een interview met Jan Wolkers, waarin hij abusievelijk het woord SLEEPSTEEN gebruikt (NRC, 10 november 2000) en een rectificatie een week later waarin vermeld wordt dat het woord SLEEPSTEEN onjuist was en dat dit SLEEPTEEN had moeten zijn (NRC, 17 november 2000). Voor de tekst: zie hieronder als bijlage. Overigens: Jan Wolkers plakt de laatste regels van “When we were very young” aan andere voorafgaande versregels. Deze heb ik niet teruggevonden. Ook niet handig van mij om de vraag te stellen met een verwijzing naar Campert. Zonder aan te geven of het om Jan of Remco Campert gaat. ChatGPT kan rekenen (acht + tien = achttien). Maar ook tot merkwaardige antwoorden komen. Acht gevangenen die tien anderen voortslepen naar hun executieplaats? Wordt hier de term “sleepteen” gebruikt? Kortom, een niet bestaand woord in een wel bestaand gedicht leidt tot het meest merkwaardige plak- en knipwerk. Wel waar is dat “het lied der Achttien dooden” een iconische status kreeg. Dit is dan ook het enige feit dat klopt, maar dat wisten we zonder ChatGPT ook al.



Wouter Belier, Leiden


Hieronder een aantal bijlagen


Gedicht Campert



In het artikel van Jan Wolkers over Remco Campert (CS 10 nov) heeft een tikfout ter redactie gezorgd voor een s te veel in een gedicht van Campert. Het woord `sleepteen’, ook vermeld in de kop van het artikel, veranderde daardoor in `sleepsteen’. Hierbij, met onze excuses, het gedicht op juiste wijze.



17 november 2000



eindelijk tijd om in het gras te liggen

in een wolk van zoetgeurend gras

en de vogels het kunst-en-vliegwerk overlaten.

Voorbij de blonde lichtvoetige woorden

die zaten aan een stalen tafel

en mandarijnen aten

later ging ik verward naar huis

ik vond ook die dag het spoor nog niet

de sleepteen van de tijd

in het rulle zand



De sleepsteen van de tijd

Remco Campert
is vijftig jaar schrijver. Jan Wolkers zingt zijn lof. ,,U kunt van mij geen
kritisch of analytisch stuk verwachten over een zo bewonderde collega.”

10 november 2000


Het mag bijzonder chic lijken om een lofrede op een van onze belangrijkste
dichters en schijvers aan te vangen met een citaat uit Ernest Hemingway’s On
Writing.

A man’s got to take a lot of punishment to write a really funny book. Nog
fraaier en diepzinniger kan men het maken door Friedrich Nietzsche aan het
woord te laten.



Man ist um den Preis Künstler, dass man, was alle Nichtkünstler `Form’
nennen, als Inhalt, als `die Sache selbst’ empfindet.



Maar is het ook niet weerzinwekkend snobistisch. Ik zal dat dan ook niet
doen, zeker niet nadat ik bladerend in Camperts De zomer van de zwarte jurkjes
– een titel die overigens niet met Nietzsche en zijn verhouding met Lou Salomé
te maken heeft – zoveel schitterende citaten van Remco zelf maar voor het
oplepelen heb, waarvan sommige blijk geven van een profetische blik. Want wie
ziet bij het gezegde Wie de kaars snuit zal hard moeten lopen niet haarscherp
de televisiebeelden van het vuurwerkdrama in Enschede voor zich.

En de doorgewinterde uitspraak Als de hazen het veld verlaten zijn de rapen
gaar schildert voor je geestesoog de akkers in oogsttijd waar de stank van het
lijnwaad uit alle films van Jos Stelling als een druilerige mist boven lijkt te
hangen. De grommende tractoren en de ruziënde rauwe stemmen van de landbouwers
die tegen de kleikluiten ketsen — wat Millet zou doen huiveren tussen zijn
nobele korenarenleesters — doen de hazen met hun fluwelen oren zo snel mogelijk
de velden verlaten om buiten gehoorafstand van het genus mens te komen.

Heel wat pennen zijn in beroering gebracht door het spreekwoord Wie vroeg
een doos koopt moet later varen. Grove naturen meenden dat de dichter het had
over een amoureus avontuurtje met gevolgen waarvan de aanstichter zich zo snel
mogelijk uit de voeten maakte naar de dichtstbijzijnde haven. Maar Remco
Campert is er de man niet naar om over de lieflijkheid der vrouwen, per slot
van rekening hebben we het over de ereboog waardoor we het leven in schieten,
te spreken als over verpakkingsmateriaal. Dat zou hij beslist kut vinden om een
snedige uitdrukking te bezigen die de laatste tijd tot in de beschaafdste
kringen is doorgedrongen. Ik houd het erop, gesterkt door mijn studie van de
plastische anatomie waar de schedel vaak een benen doos wordt genoemd waarin de
hersens veilig opgeborgen liggen, dat als je die doos door je ontvankelijke
kunstenaarsnatuur te vroeg vol moet laden met herinneringen en gewaarwordingen
je inderdaad moet varen. Maar op een andere manier dan de geijkte. Op het
scherp van de snede. Ter helle of ten hemel.

Dit was over Remco Campert als cryptogame wijsgeer. Citaten voor de vuist
weg bij elkaar gesprokkeld uit een luchtig maar daarom nog geen vluchtig
boekje. Zoals hij zelf zegt in een gedicht

:

Ik wil wel graven

Naar poëzie, maar niet

Te diep. Je weet

Hoe ik dichter ben

Bij de gratie van

Aardoppervlak.

Als je verscheidene schrijversprentenboeken doorbladert en je bekijkt de
foto’s valt het je op dat de ene schrijver soms te veel en de ander te weinig
vader heeft gehad. In beide gevallen moet je ermee leren schrijven.

mijn vader een verhaal

van zijn vrienden

getennist

schijnt hij zelfs te hebben

mijn vader wist niet hoe `t moest

met zijn zoon

en omgekeerd

maar zijn woede

om al het grote falen

ben ik niet vergeten.

Dat grote falen viel trouwens wel mee. Als je, zoals Jan Campert, het
indrukwekkendste verzetsgedicht geschreven hebt, is dat inderdaad genoeg voor
de rechtvaardiging van een bestaan.

Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht,

Die aan de tralies van de al-dag rukt;

weest om uw tijdelijk lot geenszins bedrukt,

al zijn de kluisters hard, de muren hecht.

Want in de aanvang werd het u voor-gezegd,

dat het aan enkelen steeds is gelukt

het juk te breken, dat hun schouders drukt,

laat dus niet af maar vecht en vecht en vecht.

Breekt uit en blaast de dove sintels aan,

die zijn verdoken onder `t rokend puin;

vaart stormgelijk over de lage tuin,

die Holland heet; slaat doodlijk toe en snel,

opdat het kwaad verschrikk’lijk zal ondergaan,

o hart, mijn hart, mijn bloedrode rebel.

Maar genoeg hierover. Het gaat over zonen en niet over vaders die gedoemd
zijn een bijrol te spelen in het eerste katern van het schrijversprentenboek,
en als ze geluk hebben dringt hun gestalte, zij het sporadisch, door tot het
tweede katern.

Ik heb de poëzie van Remco Campert leren kennen op Walcheren in de zomer
van 1952. Mijn schoonouders hadden daar een buitenhuis aan de rand van de
duinen waar wij de vakantie doorbrachten met mijn schoonzuster en haar man
Gerard Rothuizen die net zijn studie in de godgeleerdheid beëindigd had. Toen
ik hem daar voor het eerst ontmoette, ik met bloedende voetzolen van het
struinen over de met zeepokken begroeide brokken brandend blind basalt van de
zeehoofden, haalde hij een boekje uit zijn binnenzak te voorschijn dat naar het
uiterlijk te oordelen noch de Bijbel noch de Institutio van Calvijn was. Het
was Vogels vliegen toch, de eerste gedichtenbundel van Remco Campert. Hij was
er zo bezeten van dat je gerust kunt zeggen dat het zijn Bijbel was geworden.
De hele dag werden er Campertteksten naar mijn hoofd geslingerd.

eindelijk tijd om in het gras te liggen

in een wolk van zoetgeurend gras

en de vogels het kunst-en-vliegwerk overlaten.

Voorbij de blonde lichtvoetige woorden

die zaten aan een stalen tafel

en mandarijnen aten

later ging ik verward naar huis

ik vond ook die dag het spoor nog niet

de sleepsteen van de tijd

in het rulle zand

Als ik mijn theologische zwager wel eens plagerig vroeg of hij niet bang
was, als hij het tijdelijke voor het eeuwige zou moeten verwisselen, dat hij
daarop afgerekend zou worden, dat hij meer in de poëzie geïnteresseerd was dan
in de heilige schrift, lachte hij maar een beetje. Misschien had hij daar ook
wel gelijk in, want die jiddische potpourri zit God waarschijnlijke ook allang
tot hier. Voor hem is het toch een doodvermoeiend werkschema van wat hij
allemaal aan bijstand en aan wonderen te verrichten heeft. Zelfs voor een God
is het aanlokkelijk om van tijd tot tijd zijn verantwoordelijkheden te
vergeten.

Sommigen herinneren zich nog

hoe de nacht stierf over Golgotha

sommigen herinneren het zich

anderen niet.

Als ik het prentenboek van Remco Camperts leven doorblader zie ik tot mijn
tevredenheid dat ik geen uitgave gemist heb. Voor een ellendige nietsnut staat
er een respectabele rij drukwerk in mijn boekenkast. Wel zijn me een paar
huwelijken en verhoudingen met vrouwen ontgaan. Ik ben dan ook geen
grachtengordeldier. Als Remco een walkmanfreak was geweest had hij het wat
rustiger aan kunnen doen, afgeschermd van de klagende werkelijkheid door Eric
Dolphy en Lennie Tristano.

Een Chinees tussen twee etages

gevangen in een lift

ik ken geen grotere stilte.

Nu kreeg hij vaak ongezouten de Jan Steenwereld te verwerken en dat is een
hard gelag.

Het begint ermee

dat je van je vrouw dingen hoort

die je absoluut niet aanstaan…

Zal ik vandaag eens iets stukmaken? Een brok

je cultuur bijvoorbeeld

maar waar vind ik dat zo gauw?

Mijn huwelijk of de bril van de hijgende tele

grambesteller….

Kijk ver weg staat Vivian nog te wuiven

alsof zij woonde

in een vriendelijk dorp

waar men peterselie kweekt.

We zien ook dat hij al heel jong bedreven was in het tekenen van cartoons.
Ik heb eens iemand gehoord die hem tot een zogenaamd dubbeltalent wilde
bombarderen. Remco pas op! Dat verschrikkelijke dubbeltalent! Je hebt zo de
Hendrik de Vriesprijs te pakken. En dan gaat iedereen weer aanhalen hoe je de
oude barstige bard, aan wiens naam de prijs verbonden is, gekapitteld hebt toen
hij hoog van het gebergte blies en met bijkans heliconische diepgang de poëzie,
die maar al te vaak in vodden door de stegen dwarrelt, goddelijke levensgeur en
onsterfelijkheidsaroma toedichtte.

Ik hou niet van bergen

het beklimmen is nog tot daaraantoe

maar het op de top staan en vanaf het bereikte

bezien wat beneden ligt

is dodelijk vervelend en ondanks de hoogte

weinig verheffend.

Soms lucht het op om een te geëxalteerde zanger even de berg af te duwen de
vallei in.

Ik moet iets bekennen. Vaak word ik ontroerd als ik langs het monument kom
dat ik ter ere van Den Uyl op de brug in Zaandam heb gemaakt. Maar denk geen
moment dat het om mijn eigen werk gaat. Dat zij verre van me. Als ik het
glanzende stalen omhulsel rood zie kleuren van het rode glas dat de kern vormt
van het beeld, komt altijd het gedicht van Remco Campert in mijn gedachten:

Drs. te Buitenveldert.

Het was een levende bende

in je huis die donkere ochtend

kinderen spoelden door de kamers

en vroegen `gaat opa al weg?’

het huis wrong van liefde

de gang wierp obstakels op

toen men je wegdroeg

de voordeur wilde klemmen

het huis liet je met moeite gaan

de dageraad kreeg kleur

toen je hem voor het laatst tegemoet ging.Van het proza houden dat als een man op je afkomt kan een hoop gebral en

zelfverheerlijking teweegbrengen. Het proza van Remco Campert vloert je als een
sluipmoordenaar die les in jiu jitsu heeft gehad van Dick Bos. Je slaat een
boek van hem open en hij heeft je in zijn greep. Het is lenig als Russische
turnsters tijdens de vloeroefening en soepel als helmgras. Er zijn nogal wat
schrijvers die je op het zadelloze stalen ros van hun bekrompen preoccupaties
proberen te drukken, maar er zijn maar weinigen zoals Remco Campert die met
zo’n wonderbaarlijke natuurlijkheid je dwingen om plaats te nemen op hun
stokpaardje. Remco Campert is ook een van onze belangrijkste moralisten, maar
op een manier dat het slachtoffer met een bedremmelde glimlach zelf het boetekleed
nog wat strakker aantrekt.

Zijn werk is doorspekt met maatschappijkritiek, maar zonder een zweem van
zeur- of zuurzakkerij. Zijn humor heeft het sterke pantser van de zelfspot.

Op dat moment rinkelde de telefoon en nog geen

twee minuten later was Erik Mondy lid van het

comité `Kunstenaars voor De Derde Wereld’,

aan welk gezelschap een min of meer bekende

schrijver nog ontbroken had.

Met bange voorgevoelens, zichzelf om die reden

weer voor zàk uitscheldend, verliet hij z’n flat.

Waar begon hij aan? Vergaderingen, manifes

ten, voorlezen uit eigen werk in provinciesteden

en, god verhoede het, misschien wel in de vries

kou met een bord voor een ambassade heen en

weer lopen. Maar het doel was zo nobel dat hij

zo snel geen motief had kunnen vinden om de

uitnodiging te weigeren — het doel chanteerde

de middelen.

De volgende dag schreef hij, nog katterig, een

lang gedicht over het verzet van het volk, overal

ter wereld, tegen z’n uitbuiters. Een volmaakt

gedicht was het niet, maar, mits op de juiste toon

voorgelezen, zou het toch wel indruk maken en

daar ging het maar om.

De dialogen van Remoc Campert zijn fenomenaal, zelfs zo, dat je het bijna
voor ondenkbaar houdt dat hij geen bijbelse opvoeding heeft genoten. Hij heeft
een oor voor het gesproken woord dat je zou kunnen vergelijken met de ogen van
Monet voor de kleur. Toch is het allerminst spreek en ik schrijf. Het is een
levensechte stilering die een gepast gebruik maakt van de lachspiegel.

`Zo’n belangrijke wedstrijd en dan met 6-0 ver

liezen, dat moet toch wel als een schok komen.’

`Ja, nou ja, een schok… Dat is wel een zwaar

woord.’

`6-0! En dat vind jij niks?’

`Nou niks, dat wil ik niet zeggen, maar het blij

ven natuurlijk maar cijfertjes.’`Die cijfertjes zijn toch wel erg in jullie nadeel.’`Ja, nou ja, nadeel. Zo zou ik het niet willen noemen. Voor hetzelfde geld was het in ons voordeelgeweest. Het is voetbal. Het hangt van zo’n kleinigheid af.’`Zullen we die doelpunten eens even bekijken?’`Je doet maar wat je niet laten kunt.’`Hier, dat doelpunt van Manussen. Hij schiethem vanaf de middenstip in een keer in.’`Ja, maar goed, onze keeper stond niet in hetdoel. Dan is het natuurlijk wel erg gemakkelijkom er eentje in te schieten. Het had natuurlijknet zo goed andersom kunnen wezen.’`Hier schiet je in eigen doel.’`Ja, dat kan gebeuren.’`Wat gaat er dan door je heen als je in eigen doelschiet?’`Nou dan telt zo’n doelpunt voor de tegenpartij.Terwijl een doelpunt toch een doelpunt is, zou jezo zeggen. Kijk, als het door de tegenpartij wasgescoord, dan zou ik er vrede mee hebben dathet bij hun op het scorebord komt. Maar nouheb ik dat doelpunt gemaakt en mogen zij hettellen. Dat is ergens niet eerlijk.’Je moet een enorme zelfbeheersing aan de dag leggen om niet door te gaan
met citeren. Het zou me niet de minste moeite kosten om u voor uren aan het
lezen te houden. Ik zal dat niet doen. Het is mijn gewoonte niet om een
lauwerkrans om mijn hoofd te drukken van andermans veren.U kunt van mij geen kritisch of analytisch stuk verwachten over een zo
bewonderde collega. Ik ga de bloem niet pletten in een herbarium. En hoeveel
nectar er van zijn stamper druipt, ik bedoel dit natuurlijk overdrachtelijk,
kunt u bij iedere verschijning van nieuw werk zelf constateren. Ik heb een
gruwelijke hekel aan kruideniers die in elkaars zaak met ziekelijke
naarstigheid in de rozijnenbak zitten te wroeten of er geen steentjes in
zitten, of die beweren dat de blaasham over zijn friste heen is. Als je je
medeschrijvers als rivalen ziet, en je als Droogstoppel vindt dat wie een
concurrent prijst een gek is, moet je de oogkleppen van de kortzichtigheid
beslist opzetten zodat je het licht van de gouden dagen van je collega’s niet
kunt waarnemen.Ik ga weer terug naar het schrijversprentenboek, naar de ontroerende
jeugdfoto’s, schoolfoto’s, foto’s in een niemandsland van herinneringen die
vaak zo broos zijn als een vergeeld negatief. Ach, waren dat wij niet?/ Ach, ik
niet? ach, jij niet? Er is één foto bij van een besneeuwde bosrand waar de
jeugdige kunstenaar in spe op een slee langsglijdt, zijn linkeronderbeen als
een periscoop omhoog. En we weten allemaal uit Citizen Kane wat er op die slee
zou moeten staan die hij met zijn tengere lichaam bedekt. Niet dat ik het hier
wil hebben over een ongelukkige jeugd die voor een schrijver een goudmijn zou
zijn. Remco heeft een instelling die hem voor iedere langdurige
neerslachtigheid behoedt. Het is wel een vingerwijzing naar de mijnschacht waar
geen goud voor het opscheppen lag maar de raadselachtige brandstof voor een
heel leven om te bevestigen dat hij bestaat.Schrijversprentenboek (nr.46) `Al die dromen al die jaren’ over Remco
Campert. Red. Daan Cartens, Aad Meinderts en Erna Staal. Uitg. Lett. Mus. en de
Bezige Bij


Op de site va DNB:

Het lied der achttien dooden